Chapter I
-
pak - parcel suit
plat - flat
kaas - cheese
gaan - to go
maken - to make
praten - to talk
plaat - picture record
mak - tame
maak - to make
tak - branch
takken - branches
taken - tasks
taak - tasks
lap-lappen - rag-rags
zak-zakken - bag-bags
tafel - table
raam - window
ramen - windows
praten - to talk
betalen - to pay
gapen - to yawn
halen - to fetch
bos - woods
kop - head of an animal
groot - big large
rood - red
wonen - to live
dozen - boxes
symbolen - symbols
probleem - problem
over - over
kloppen - to knock
kopen - to buy
sloten - locks ditches
doden - to kill
volgen - to follow
roken - to smoke
stoppen - to stop
mes - knife
kerk - church
veel - much many
steen - stone brick
breken - to break
weten - to know
vergeten - to forget
spelen - to play
geven - to give
lekker - nice
eten - to eat
vreten - to eat like
an animal
kerken - churches
kennen - to know a
person or to know as a result of having studied it
weten - to know
a fact or because you were told
lopen - to walk
bedanken - to
thank
de - the
bus - bus
krul - curl
vuur - fire
muur - brick wall
muren - walls
avonturen - adventures
evalueren - to evaluate
rumoer - noise
vuren - fires
zitten - to sit
blik - tin can
lied - song
vriend - friend
neus - nose
keuken - kitchen
vroeg - early
toen - then - past
tense
rijst - rice
reist - the verb
travels
gauw - quickly
goud - gold
huis - house
vuil - dirty
vuist - fist
vuisten - fists
kruis - cross
kruizen - crosses
struik - shrub
boer - farmer
groep - group
kous - sock neus
brief - letter
mouw - sleeve
zeil - sail
huis - house
druif - grape
buis - tube
bewijs - proof
gleuf - groove
acht - eight
gras - grass
ja - yes
jij - you
bejaard - aged
van - of
overal - everywhere
water - water
wijn - wine
rood - red
bekend - well-known
heb - have
lob - lobe
Chapter II
de and het -
the
een - a
or an
tafel -
table
een kind - a
child
een ongeluk -
an accident
ik - I
jij - you
je - you
u - you
(formal)
hij - he
zij - she
ze - she
het - it
wij - we
we - we
jullie -
you (plural)
u - you
zij - they
ze - they
ik ben -
I am
jij bent -
you are
je bent -
you are
u bent -
you are
hij is -
he is
zij is -
she is
ze is -
she is
het is -
it is
wij zijn -
we are
we zijn -
we are
jullie zijn -
you are (plural)
zij zijn -
they are
ze zijn -
they are
mijn -
my
jouw -
your
je - your
uw - your
(formal)
zijn -
his
haar - her
ons/onze -
our
jullie -
your (plural)
uw - your
(formal)
hun - their
ik heb -
I have
jij/je/u hebt -
you have
u heeft -
you have (formal)
hij heeft -
he has
zij/ze heeft -
she has
het heeft -
it has
wij/we hebben -
we have
jullie hebben -
you have (plural)
u hebt, heeft -
you have (formal)
zij/ze hebben -
they have
huis -
house
meneer (mnr) -
mister
mevrouw (mev) -
Mrs, madam
de man -
the man, husband
de vrouw -
the woman, wife
het kind -
the child
de jongen -
the boy
het meisje -
the girl
de broer -
the brother
het zusje -
the sister
het huis -
house, home
de familie -
the family
geen -
no, not a, not any
of - or
van - of
wat - what
mooi -
nice
ja - yes
nee - no
hoe - how
oud - old
en - and
een - one
eerste -
first
twee -
two
tweede -
second
drie -
three
derde -
third
vier -
four
vierde -
fourth
vijf -
five
vijfde -
fifth
zes - six
zesde -
sixth
zeven -
seven
zevende -
seventh
acht -
eight
achtste -
eighth
negen -
nine
negende -
ninth
tien -
ten
tiende -
tenth
elf - eleven
elfde -
eleventh
twaalf -
twelve
twaalfde -
twelfth
dertien -
thirteen
dertiende -
thirteenth
veertien -
fourteen
veertiende -
fourteenth
vijftien -
fifteen
vijftiende -
fifteenth
zestien -
sixteen
zestiende -
sixteenth
zeventien -
seventeen
zeventiende -
seventeenth
achttien -
eighteen
achttiende -
eighteenth
negentien -
nineteen
negentiende -
nineteenth
twintig -
twenty
twintigste -
twentieth
Chapter III
werken -
to work
luisteren -
to listen
wandelen -
to stroll to go for a walk
poetsen -
to brush
fietsen -
to bike
branden -
to burn
winkelen -
to go shopping
antwoorden -
to answer
regenen -
to rain
tekenen -
to draw
oefenen -
to practice, to exercise
zeilen -
to sail
wonen -
to live to reside
leren -
to learn
maken -
to make
smaken -
to taste
spelen -
to play
parkeren -
to park
horen -
to hear
koken -
to cook or boil
lenen -
to lend or borrow
plagen -
to tease
halen -
to fetch
menen -
to mean
komen -
to come
gaan -
to go
worden -
to become
gebeuren -
to happen
zwemmen -
to swim
rijden -
to ride
vertrekken -
to leave or depart
lopen -
to walk
naar school -
to school
de trein -
the train
het is gebeurd -
it has happened
het is koud geworden -
it has become cold
hij is geboren -
he was born
hij is gestorven -
he has died
zij is getrouwd -
she was married
vandaag -
today
gisteren -
yesterday
het eten -
the food
de winkel -
the store
het kantoor -
the office
de stad -
the city
het eten -
the food meal
de aardappel -
the potato
de school -
the school
de groente -
the vegetables
de muziek -
the music
de piano -
the piano
het uur -
the hour
het huiswerk -
the homework
de kilometer -
the kilometer
tekenen -
to draw
fietsen -
to bike
houden van -
to like
doen -
to do
spelen -
to play
koken -
to cook boil
winkelen -
to go shopping
oefenen -
to exercise, train, practice
buitenshuis -
outside the house
gisteren -
yesterday
vanmorgen -
this morning
middag -
afternoon
avond -
evening
nacht -
night, tonight
verleden week -
last week
jaar -
year
maand -
month
elk -
each
ook -
also
bij -
at
met -
with
heerlijk -
delicious
eerst -
first
verder -
further
zoveel -
so much many
toen -
then (past tense)
duizend -
thousand
waar -
where
vandaag -
today
maandag -
Monday
dinsdag -
Tuesday
woensdag -
Wednesday
donderdag -
Thursday
vrijdag -
Friday
zaterdag -
Saturday
zondag -
Sunday
Duitsland -
Germany
Frankrijk -
France
Spanje -
Spain
Zwitserland -
Switzerland
Oostenrijk -
Austria
Rusland -
Russia
Belgie -
Belgium
ouders -
parents
altijd -
always in
de tuin -
garden
de bibliotheek -
library
heten, heette, geheten -
to be called
het eten -
food
plagen -
to tease
parkeren -
to park
schoenen -
shoes
poetsen -
to brush
winkelen -
to shop in
de stad -
city
kosten, kostte, gekost -
to cost
rijk -
rich
geld -
money
Chapter IV
praten -
to talk
studeren -
to study
leren -
to learn, teach
kleden -
to dress
heten -
to be called
leggen -
to lay, put
bakken -
to bake, fry
betalen -
to pay
beantwoorden -
to answer
betekenen -
to mean
vertellen -
to tell
verkleden -
to change
verbranden -
to burn
doen -
to do
lopen -
to walk
zeggen -
to say
zien -
to see
liggen -
to lie
zitten -
to sit
staan -
to stand
gaan -
to go
slaan -
to hit
rijden -
to ride, drive
vragen -
to ask
geven -
to give
kopen -
to buy
komen -
to come
weten -
to know
schrijven -
to write
blijven -
to remain
krijgen -
to get, receive
lezen -
to read
onthouden -
to remember
ontdekken -
to discover
ontvangen -
to receive
mooi -
nice
lelijk -
ugly
groot -
big
klein -
small
hoog -
high
laag -
low
snel -
fast
langzaam -
slow
goed -
good
slecht -
bad
duur -
expensive
goedkoop -
cheap, inexpensive
open -
open
dicht -
closed
breed -
wide
smal -
narrow
moeilijk -
difficult
gemakkelijk -
easy
lang -
long
kort -
short
licht -
light
donker -
dark,
zwaar -
heavy
dun -
thin
dik -
thick
mogelijk -
possible
onmogelijk -
impossible
interessant -
interesting
oninteressant -
uninteresting
belangrijk -
important
onbelangrijk -
unimportant
vriendelijk -
friendly
onvriendelijk -
unfriendly
een en twintig -
21
dertig -
30
twee en veertig -
42
zes en tachtig -
86
honderd -
100
vijfhonderd negen en zeventig
- 579
duizend -
1000
miljoen -
1,000,000
zes miljard -
6,000,000,000
boodschappen doen -
to run errands, shopping, message
meestal -
usually
het druk hebben -
to be busy
wit -
white
bruin -
brown
volkoren -
full, whole wheat
weinig -
little, few
nog -
still, yet
volgende -
following, next
tegen -
to, against
daar -
there
erg -
very
vers -
fresh
lekker -
good, tasty, nice
de slager -
the butcher
het varkensvlees -
pork
de worst -
sausage
de biefstuk -
steak
het briefje, biljet -
the bank note, bill
de kilo -
kilo gram
het pond -
pound
de groet -
the greeting
de week -
the week
goedendag! -
good day, hi, goodbye
hoe gaat het? -
how are you?
het gaat wel -
not bad, reasonable
goed -
well, good
slecht -
bad, poorly
terug -
back
thuis -
at home
tot -
till, until
alstublieft -
please, here you are
s maandags -
on Mondays
groeten -
to greet
begrijpen -
to understand, comprehend
Chapter V
of -
if, whether
als -
if and when
aangezien -
since, because, considering that
tenzij -
unless
mits -
provided that, if
zodat -
so that
zodra -
as soon as
voordat -
before
terwijl -
while
nadat -
after
alhoewel -
although
indien -
if, in case
toen -
when
wanneer -
when
koud -
cold
klaar -
finished
begrijp -
to understand
rust -
to rest
weinig -
little
er -
it
moe -
tired
worden -
to become
lachen -
to laugh
vertrekken -
to leave
klaar -
ready
krijgen -
to get
opruimen -
to tidy
opbellen -
to call
verstaan -
to understand
spreken -
to speak
weten -
to know
corresponderen -
to correspond
moeilijk vinden -
to find hard
leren -
to learn, teach, study
heten -
to be called
moeten -
must, to have to
het druk hebben -
to be busy
de auto -
the car
de brief -
the letter
de naam -
the name
mensen -
people
getrouwd -
married
misschien -
perhaps, maybe
soms -
sometimes
helemaal niet -
altogether, not at all
natuurlijk -
naturally, of course
af en toe -
now and then
echt -
really
te -
too
prachtig -
beautiful
dus -
thus, therefore, so
Hoe heet je? -
What is your name?
Ik denk het -
I think so
nog niet -
not yet
niet meer -
not any more, no longer
waarschijnlijk -
probably
Amerika -
America
De Verenigde Staten
- The United States
de broer -
brother
de zus -
sister
de neef -
cousin, nephew
de nicht -
cousin, niece
de oom -
uncle
de tante -
aunt
de schoonzuster -
sister in law
de zwager -
brother in law
grootouders -
grandparents
de taal -
the language
de voorwaarde -
condition
iemand -
somebody
niemand -
nobody
welke -
which
I see them -
Ik zie ze
Chapter VI
Modal Verbs:
Moeten(must, to have to)
, kunnen(can, to be able to),
willen(to want to), and
mogen(may, to be allowed to)
vroeg (early)
de afwas (dishes).
Iemand (someone)
Europa - Europe
de provincie - the province
het plan - the plan
het rijbewijs - the driver's license
graag - eagerly, with pleasure
rijk - rich, wealthy, empire
aardig - nice
nooit - never
met me, mij - with me
met je, jou - with you
met hem - with him
met haar - with her
met ons - with us
met jullie - with you
met hun - with them
Chapter VII
neef (cousin).
de wei (meadow).
waardevol (valuable).
beroemd (famous).
het kleed (rug)
de aankomst - the arrival
het vliegtuig - the aeroplane
de vlucht - the flight
de reis - the journey, trip
het koren - the wheat
de gewoonte - the custom
het vaderland - the fatherland
de tram - the street car
het gesprek - the conversation
de koffie - the coffee
de ouders - the parents
de douane - the customs
de jongelui - the young people
de koffer - the suitcase
de molen - the windmill
gebruiken - to use
ontmoeten - to meet
hopen - to hope
arriveren - to arrive
dragen - to carry
pompen - to pump
malen - to grind
merken - to notice, to find out
bedoelen - to mean, intend
zopas - just, a minute ago
bijvoorbeeld - for example
gauw - fast, quickly
lief - dear
zeker - certainly
knap - good-looking
aardig - friendly, nice
echt - really
anders - different
vervelend - too bad, bad luck
leuk - cute, "cool"
op tijd - on time
Wat (groen)! - How (green)!
vandaan - from
geleden - ago nog
nooit - never (yet)
Hij kwam bij zijn broer vandaan. (He came from his brother's.)
hoor! - (you) hear!
`Heb je honger?' `Nee, hoor!' (Are you hungry? No, not at all.)
`Hoe gaat het?' `Goed, hoor!' (How are you? Fine, thanks.)
`Kan u mij verstaan?' `Ja, hoor!' (Can you understand me? Yes, thank
you.)
-
vrij (rather)
me (myself)
Chapter VIII
De tijd:
aankomen (to arrive),
opletten (to pay attention),
opschrijven (to write down),
uitkijken (to watch out),
uitleggen (to explain),
meenemen (to take along),
aantrekken (to put on),
uittrekken (to take off),
aankleden (to dress),
uitnodigen (to invite),
voorstellen (to introduce),
opstaan (to stand up or to get up).
-
De onderwijzer (school teacher)
schoenen (shoes) a
`er' 'there' , `it'
melk(milk)
de ijskast (refrigerator).
eikebomen(oak trees)
de bossen (woods)?
meeting (vergadering).
het onderwijs - the education
de politiek - (the) politics
de klas - the class
de onderwijzer - the teacher
de taal - the language
de vrijheid - the freedom
het salaris - the salary
de les - the lesson
de ingenieur - the engineer
de leraar - the (high school) teacher
het examen - the examination
het conservatorium - the conservatory
het vak - the (school) subject
beginnen - to begin
herhalen - to repeat
worden - to become
gaan over - to be about, deal with
begrijpen - to comprehend, understand
doceren - to lecture
opstaan - to get up
(niet) hoeven - to (not) need to (always negative)
verschillend - different
het(de)zelfde - the same
iedereen - everyone
allemaal - all (of them/ it)
(een) paar - (a) few zelfs - even
op school zitten - to attend school, to be in school
Protestants - Protestant
Katholiek - Catholic
openbaar - public
algemeen - general
vormend - forming, developing, educating
lager (onderwijs) - elementary (lower) education
basisonderwijs - elementary (lower) education
middelbaar( " ) - middle (secondary) education
hoger ( " ) - higher (tertiary) education
wetenschap - science
wetenschappelijk - scientific
technisch - technical
finaal - final
ingewikkeld - complicated
gespecialiseerd - specialized
joods - Jewish
mohammedaans - Mohammedan
hindoeisme - Hinduism
Chapter IX
(posten - to mail)
(to cost - kosten)
bakery (bakkerij)
meat (het vlees)
bike? (de fiets)
tulp. (tulip)
bekende (well-known)
historische (historical)
roman (novel)?
ooit (ever)
rekenen (count)?
laten (zien) - to let or to allow to see, to show.
laten bouwen - to have built;
(je haar) laten knippen - to have (one's hair) cut;
(je auto) laten repareren - to have (one's car) repaired,
horloge (watch)
(verven - to paint)
(to enlarge - vergroten)
. (to baptize - dopen) 3
picture (foto)
border (grens)
passports (paspoorten)
. (to stamp -stempelen)
(tire - band;
to check - nakijken, controleren)
met z'n (vijven, tweeen, etc.) - with five, two (persons), etc.
mee (gaan) - to go with eg. somebody.
(meegaan - go along),
een goeie (goede) - a good one.
een gele (a yellow one), e
afsluiten - to shut out, to close off
noemen - to call
stellen - to put (eg. a question)
passen - to fit
breken - to break
vechten - to fight
leiden - to lead
regeren - to rule
varen - to sail
uitleggen - to explain
nakijken - to check (out)
(een vraag) stellen - to put (a question)
het deel - the part
de afsluitdijk - the enclosing
dam, dyk
e de zoon - the son
de boerderij - the farm
de reis - the journey, trip
de buitenlander - the foreigner
de inwoner - the inhabitant het volk - the nation het karakter - the
character het bondgenootschap - the confederation de zeespiegel - the sea
level (mirror) de atlas - the atlas het schip,(schepen) - the ship(s) het
rijk - the empire de filosoof - the philosopher de wereld - the world
(on)afhankelijk - (in)dependent eigen - own vreselijk - terrible (ly)
zoiets als - something like vrij - free gelukkig - fortunately, luckily,
happy beneden - below vroeger - in the past mee(gaan) - (to go) along,
with ver - far toch - yet, still
Frans - French Duits - German Engels - English
Chapter X
-
Herschrijf (rewrite)
manieren (ways)
constructie (construction)
zanger (singer
) zingt (to sing)
lied (song)
Gisteravond (last night)
de televisie (television).
(skien - to ski)
(to cry - huilen)
(all - de hele)
(nonsense - onzin)
(instead of - in plaats van)
bekend - well-known tientallen - scores (tens) tamelijk - quite, rather
populair - popular even - just, a minute bijvoorbeeld - for example eigenlijk
- actually modern - modern vooral - especially zelfs - even Vlaams - Flemish
klassiek - classic wereldberoemd - world famous iedereen - everybody goud
- gold welvarend - prosperous economisch - economically militair - military
blij - glad(ly), happy (happily)
de vogel - the bird de helft - (the) half de schrijver - the author,
writer de dramaturg - the playwright de dichter - the poet een heleboel
- a (whole) lot de schilderkunst - (the art of) painting de Vlaming - the
Fleming de eeuw - the century, age de filosoof - the philosopher de zelfstandigheid
- the indepedence de lof - the praise de zotheid - the folly
herkennen - to recognize erkennen - to admit, to recognize (in een boek)
staan - to be (in a book) dat klopt! - that is right! Wat goed, zeg! -
How good! Smart!
Chapter XI
stap(step) - stapje; boek - boekje; voet(foot) - voetje; hand(hand)
- handje; oog(eye) - oogje; mes(knife) - mesje, etc.
stoel(chair) - stoeltje; zoen(kiss) - zoentje; rivier(river) - riviertje.
bel(bell) - belletje; man - mannetje; ster(star) - sterretje.
bloem(flower) - bloempje; stroom(stream) - stroompje; rijm (rhyme) -
rijmpje; raam(window) - raampje.
bloem - bloemetje; som(sum) - sommetje; lam(lamb) - lammetje.
-
koning(king) - koninkje; ketting(chain)
-
(bone)
-
-
`schip'(ship)
-
. Also: blad(sheet or leave) - blaadje; glas(glass) glaasje; pad (path)
- paadje; vat(barrel) - vaatje.
-
kip(chicken)
-
boek, kast (closet), stad, kleed (rug, carpet), klok (clock), kind,
klomp (clog), koek (cake), zin (sentence), vork (fork), rivier(river),
deel (part), dier (animal), stroom (stream), bezem (broom), schoen (shoe),
vriend (friend), papier, voet (foot), trap (stair), rand (edge), woord,
som, lepel (spoon), middel (middle), zee (sea), bal (ball), lichaam (body),
vraag (question), plek (spot), auto, fiets, pen, deken (blanket), fornuis
(stove), bed, man, probleem, zon (sun), kant (side), kopie (copy), staat
(state), werk (work), bril (eye-glasses), oog, neus (nose), duim (thumb),
lamp, plant, bank, boom, taal (language), mens (human being, person), soldaat
(soldier), schrijver, tuin, wagen, regering (government), prijs (price).
de geest - the spirit het lichaam - the body de tennisbaan - the tennis
court de poos - the period, while de wedstrijd - the match de keer - the
time de kar - the car(t) de stok - the stick de zaal - the hall de pluim
- the birdie de steel - the handle, stem, stalk de spreuk - the motto,
logo de uitzondering - the exception
winnen (van) - to beat, win gooien - to throw tennis(sen) - (to play)
tennis golf(en) - (to play) golf eindelijk - at last bijna - almost, nearly
gauw - soon, quickly (on)sportief - (un)sportsmanlike, (un)fair gezond
- healthy spannend - exciting, gripping saai - boring liever - rather waar
- true kort - short allerlei - all sorts of samen - together het spijt
me - I am sorry, I regret it in het algemeen - in general net als - just
like zomaar - for no (apparent) reason vorig(e) - previous er uitzien -
to look like, appear om de beurt - in turn
Chapter XII
. zich schamen (to be ashamed)
zich vergissen - to err, make a mistake zich herinneren - to recall
zich verbazen - to be surprised zich verheugen - to rejoice, to look forward
to zich haasten - to hurry
-
zich scheren - to shave zich ergeren - to be irritated zich bezeren - to
hurt (oneself)
-
gedrag (behavior).
-
mijn opmerking (remark)?
-
-
(to grow - kweken)
-
[repair - repareren;
road - weg; roads - wegen;
the world - de wereld;
to grow (flowers) - (bloemen) kweken;
beautiful - prach- tig; by (plane) - per (vliegtuig); to sell - verkopen;
the morn- ing - de morgen; product - (het) produkt; everybody - iedereen;
to admire - bewonderen.
vliegen(to fly)
Nieuwe woorden:
de correspondent - the correspondent, agent het vaderland - the fatherland
het moederland - the motherland het bedrijf - the company het fruit - the
fruit het produkt - the product het zuivelprodukt - the dairy product de
industrie - the industry de vertegenwoordiger - the representative de boter
- the butter de kaas - the cheese het ei - the egg de fabriek - the factory
het apparaat - the apparatus de expositie - the exposition de schotel -
the saucer de communicatie - the communication
uitvoeren - to export exporteren - to export vliegen - to fly zaken
doen - to do business
namelijk - namely al - already elektronisch - electronical(ly) huishoudelijk
- domestic
aller(nieuwste) - very (newest) tevreden - satisfied, happy